Resource center > Vraag en antwoord > Vraag en Antwoord Erfelijkheidstest
Vraag en Antwoord Erfelijkheidstest
- Hoe wordt het onderzoek uitgevoerd?
- Is het onderzoek pijnlijk?
- Is de informatie vertrouwelijk?
- Hoe lang duurt het voordat ik het resultaat krijg?
- Wordt het onderzoek gedekt door een ziektekostenverzekering/ziekenfonds?
- Wat houdt erfelijkheidsmateriaal in?
- Welke chromosomen “bezitten” vrouwen en mannen?
- Wat zijn genen?
- Wat gebeurt er als er afwijkingen optreden in de genen?
- Wat gebeurt er bij dominant erfelijke ziekten?
- Hoeveel procent kans bestaat er dat het kind de erfelijke aandoening zal erven?
- Wat speelt zich vooral af bij dominant erfelijke ziekten?
- Wat zijn de kenmerken van dominante erfelijkheid?
- Wat zijn recessief erfelijke ziekten?
- Wanneer ontstaan er problemen bij recessieve afwijkingen?
- Hoeveel recessief erfelijke aandoeningen zijn bekend?
- Wat zijn de kenmerken van recessieve erfelijkheid?
- Wat is er gebeurd met kinderen die te weinig chromosomen bezitten?
- Wat is de oorzaak van een gebrek aan chromosomen?
- Is een “vrucht” met een extra chromosoom wel levensvatbaar?
- Wat veroorzaakt een geslachtsgebonden verstandelijke achterstand en een breekbare plaats in het X-chromosoom?
Hoe wordt het onderzoek uitgevoerd?
Wilt u een test laten uitvoeren nadat u met uw huisarts of één van onze consulenten heeft gesproken, dan kunt u bloed of wangslijm (afhankelijk van de test) laten afnemen in een artsenlab bij u in de buurt. Dit wordt dan doorgestuurd naar ons. Als u bij ons in de privé-polikliniek langskomt, gebeurt dit hier. Wij zullen - al dan niet in samenwerking met een gespecialiseerde partner - de test uitvoeren. De analyse wordt vervolgens gedaan door een geneticus, die de resultaten met u of uw hulpverlener doorneemt.
Is het onderzoek pijnlijk?
Alle onderzoeken zijn compleet pijnloos. Alleen het afnemen van bloed kan een lichte pijn veroorzaken tijdens het prikken.
Alle onderzoeken zijn compleet pijnloos. Alleen het afnemen van bloed kan een lichte pijn veroorzaken tijdens het prikken.
Is de informatie vertrouwelijk?
Ja, andere personen hebben geen toegang tot uw gegevens. Verilabs behandelt uw gegevens vertrouwelijk en is aangesloten bij het College Bescherming Persoonsgegevens. Uw gegevens worden nimmer aan derden verstrekt
Ja, andere personen hebben geen toegang tot uw gegevens. Verilabs behandelt uw gegevens vertrouwelijk en is aangesloten bij het College Bescherming Persoonsgegevens. Uw gegevens worden nimmer aan derden verstrekt
Hoe lang duurt het voordat ik het resultaat krijg?
Hoe lang duurt het voordat ik het resultaat krijg?
Hoe lang duurt het voordat ik het resultaat krijg?
Wat houdt erfelijkheidsmateriaal in?
Een mens begint als één cel (bevruchte eicel) die zich gaat delen. Na negen maanden is het kind groot genoeg om geboren te worden. Het kind zal ook weer door celvermeerdering uitgroeien tot een volwassen mens. In de cellen bevindt zich een kern. Alle eigenschappen van de cel worden vanuit de kern geregeld. Wanneer een cel zich niet deelt, is de kern een bal van draden (fig. 1). Wanneer de cel gaat delen, rollen de draden zich op en worden zichtbaar door een microscoop. Deze (opgerolde) draden worden chromosomen genoemd (Grieks: chromos = kleur, soma = lichaam). Zij bevatten de informatie voor alle erfelijke eigenschappen en vormen het erfelijkheidsmateriaal. In de chromosomen liggen de genen. leder gen bevat de informatie voor één eigenschap. Genen zijn zo klein, dat ze zelfs met de microscoop niet gezien kunnen worden. Maar we weten wél dat ze keurig gerangschikt zijn in de chromosomen. In elke cel zijn er 23 chromosoomparen, dus er zijn in totaal 46 chromosomen in elke cel aanwezig.
Figuur. 1 Chromosomen: de 46 chromosomen van de vrouw, gefotografeerd op het moment van deling. De donkere vlek is een celkern die zich niet deelt.
De vergroting is 2000 maal.
U kunt hier een film bekijken.
Een mens begint als één cel (bevruchte eicel) die zich gaat delen. Na negen maanden is het kind groot genoeg om geboren te worden. Het kind zal ook weer door celvermeerdering uitgroeien tot een volwassen mens. In de cellen bevindt zich een kern. Alle eigenschappen van de cel worden vanuit de kern geregeld. Wanneer een cel zich niet deelt, is de kern een bal van draden (fig. 1). Wanneer de cel gaat delen, rollen de draden zich op en worden zichtbaar door een microscoop. Deze (opgerolde) draden worden chromosomen genoemd (Grieks: chromos = kleur, soma = lichaam). Zij bevatten de informatie voor alle erfelijke eigenschappen en vormen het erfelijkheidsmateriaal. In de chromosomen liggen de genen. leder gen bevat de informatie voor één eigenschap. Genen zijn zo klein, dat ze zelfs met de microscoop niet gezien kunnen worden. Maar we weten wél dat ze keurig gerangschikt zijn in de chromosomen. In elke cel zijn er 23 chromosoomparen, dus er zijn in totaal 46 chromosomen in elke cel aanwezig.
Figuur. 1 Chromosomen: de 46 chromosomen van de vrouw, gefotografeerd op het moment van deling. De donkere vlek is een celkern die zich niet deelt.
De vergroting is 2000 maal.
U kunt hier een film bekijken.
Welke chromosomen “bezitten” vrouwen en mannen?
Elk van de 23 paren bestaat uit twee precies gelijke chromosomen. Eén van die paren bestaat uit twee gelijke geslachtschromosomen, de zogeheten X-chromosomen. Een man heeft twee ongelijke geslachtschromosomen: een X-chromosoom, dat hij van zijn moeder heeft geërfd, en een Y-chromosoom, dat van zijn vader afkomstig is (fig. 2 en 3). Dit betekent dat de man twee soorten zaadcellen zal maken. In de ene helft zit een X-chromosoom, in de andere helft een Y-chromosoom. In figuur 4 worden de chromosomen van een vrouw getoond. Een vrouw heeft alleen eicellen met een X-chromosoom. Als een zaadcel met een Y-chromosoom een eicel bevrucht, zal zich een jongetje gaan ontwikkelen. De cel die door versmelting van twee geslachtscellen ontstaat, heeft dan namelijk een X- en een Y-chromosoom. Als een zaadcel echter een X-chromosoom bevat, dan heeft de bevruchte eicel twee X-chromosomen en zal zich daaruit een meisje ontwikkelen.
Figuur. 2 Chromosomen van een man: de 46 chromosomen van een man gerangschikt in paren volgens grootte en banderingspatroon. De geslachtschromosomen, het X- en het Y-chromosoom, zijn niet aan elkaar gelijk (rechtsonder).
Figuur. 3 De chromosomen van de man, gefotografeerd op het moment van deling.
Figuur. 4 De 46 chromosomen van de vrouw, nu in paren gerangschikt volgens grootte en banderingspatroon. Ieder chromosomenpaar wordt met een nummer aangeduid. De twee geslachtschromosomen liggen rechtsonder (X-chromosomen).
Elk van de 23 paren bestaat uit twee precies gelijke chromosomen. Eén van die paren bestaat uit twee gelijke geslachtschromosomen, de zogeheten X-chromosomen. Een man heeft twee ongelijke geslachtschromosomen: een X-chromosoom, dat hij van zijn moeder heeft geërfd, en een Y-chromosoom, dat van zijn vader afkomstig is (fig. 2 en 3). Dit betekent dat de man twee soorten zaadcellen zal maken. In de ene helft zit een X-chromosoom, in de andere helft een Y-chromosoom. In figuur 4 worden de chromosomen van een vrouw getoond. Een vrouw heeft alleen eicellen met een X-chromosoom. Als een zaadcel met een Y-chromosoom een eicel bevrucht, zal zich een jongetje gaan ontwikkelen. De cel die door versmelting van twee geslachtscellen ontstaat, heeft dan namelijk een X- en een Y-chromosoom. Als een zaadcel echter een X-chromosoom bevat, dan heeft de bevruchte eicel twee X-chromosomen en zal zich daaruit een meisje ontwikkelen.
Figuur. 2 Chromosomen van een man: de 46 chromosomen van een man gerangschikt in paren volgens grootte en banderingspatroon. De geslachtschromosomen, het X- en het Y-chromosoom, zijn niet aan elkaar gelijk (rechtsonder).
Figuur. 3 De chromosomen van de man, gefotografeerd op het moment van deling.
Figuur. 4 De 46 chromosomen van de vrouw, nu in paren gerangschikt volgens grootte en banderingspatroon. Ieder chromosomenpaar wordt met een nummer aangeduid. De twee geslachtschromosomen liggen rechtsonder (X-chromosomen).
Wat zijn genen?
In de chromosomen liggen de genen die elk de code bevatten voor één erfelijke eigenschap. Deze code wordt gevormd door de specifieke volgorde van vier verschillende stoffen: adenine (A), cytosine (C),guanine (G) en thymine (T), die zo de bouwstenen van elk gen vormen (fig. 5). Een chromosoom is een zeer lange draad waarin miljoenen A's, C's, G's en T's achter elkaar liggen. De draad noemt men DNA. leder gen heeft een specifieke taak. Zo zijn er bijvoorbeeld genen die verantwoordelijk zijn voor bloedgroepen, en genen die ervoor zorgen dat het bloed stolt na een verwonding. Andere genen zorgen ervoor dat de cellen in het bot veel kalk opnemen, en daar bot van maken. De 23 verschillende chromosomen van de mens bevatten ongeveer 40.000 genen. Omdat alle chromosomen in tweevoud voorkomen in een cel, hebben we ook alle genen in tweevoud. Dit is belangrijk, want de manier waarop bepaalde ziekten overerven, staat daarmee in verband. Tussen de genen liggen in de chromosomen ook grote stukken DNA die wel zijn opgebouwd uit de bovengenoemde bouwstenen, maar die geen coderende functie hebben. De exacte functie van dat DNA tussen de genen is nog niet volledig duidelijk.
Figuur 5 Chromosoom, DNA, gen.
A: Schematische tekening (sterk vergroot) van een chromosoom.
B: Het materiaal waaruit een chromosoom is opgebouwd wordt DNA (deoxyribonucleïnezuur) genoemd. Dit DNA is gerangschikt in een spiraalvorm.
C: De spiraal bestaat uit een keten moleculen waarvan de onderdelen adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en thymine (T) onderling verbonden zijn en de treden van een wenteltrap vormen.
D: De volgorde van A's, C's, G's en T's vormt een code. Deze code bepaalt de samenstelling van eiwitten in de cel en regelt zodoende de stofwisseling. Een gen is een deel van een chromosoom dat de code bevat voor een bepaald eiwit of een bepaalde eigenschap.
In de chromosomen liggen de genen die elk de code bevatten voor één erfelijke eigenschap. Deze code wordt gevormd door de specifieke volgorde van vier verschillende stoffen: adenine (A), cytosine (C),guanine (G) en thymine (T), die zo de bouwstenen van elk gen vormen (fig. 5). Een chromosoom is een zeer lange draad waarin miljoenen A's, C's, G's en T's achter elkaar liggen. De draad noemt men DNA. leder gen heeft een specifieke taak. Zo zijn er bijvoorbeeld genen die verantwoordelijk zijn voor bloedgroepen, en genen die ervoor zorgen dat het bloed stolt na een verwonding. Andere genen zorgen ervoor dat de cellen in het bot veel kalk opnemen, en daar bot van maken. De 23 verschillende chromosomen van de mens bevatten ongeveer 40.000 genen. Omdat alle chromosomen in tweevoud voorkomen in een cel, hebben we ook alle genen in tweevoud. Dit is belangrijk, want de manier waarop bepaalde ziekten overerven, staat daarmee in verband. Tussen de genen liggen in de chromosomen ook grote stukken DNA die wel zijn opgebouwd uit de bovengenoemde bouwstenen, maar die geen coderende functie hebben. De exacte functie van dat DNA tussen de genen is nog niet volledig duidelijk.
Figuur 5 Chromosoom, DNA, gen.
A: Schematische tekening (sterk vergroot) van een chromosoom.
B: Het materiaal waaruit een chromosoom is opgebouwd wordt DNA (deoxyribonucleïnezuur) genoemd. Dit DNA is gerangschikt in een spiraalvorm.
C: De spiraal bestaat uit een keten moleculen waarvan de onderdelen adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en thymine (T) onderling verbonden zijn en de treden van een wenteltrap vormen.
D: De volgorde van A's, C's, G's en T's vormt een code. Deze code bepaalt de samenstelling van eiwitten in de cel en regelt zodoende de stofwisseling. Een gen is een deel van een chromosoom dat de code bevat voor een bepaald eiwit of een bepaalde eigenschap.
Wat gebeurt er als er afwijkingen optreden in de genen?
In het DNA treden voortdurend veranderingen (mutaties) op. Een coderend stuk DNA kan hierdoor beschadigd worden. Het betreffende gen werkt dan niet goed meer. Mutaties in genen kunnen daarom de oorzaak zijn van afwijkingen en ziekten. leder gen is tweemaal in elke cel aanwezig: één maal op elk chromosoom van een paar. Bij sommige ziektebeelden is een mutatie in één van de twee genen voldoende om de ziekteverschijnselen te veroorzaken. De werking van het gen met de mutatie is dan krachtiger dan die van het normale gen. Dit gen wordt het dominante gen genoemd. Bij andere mutaties is de werking van het gen met de afwijking zwakker (recessief) dan de werking van het normale gen. Iemand die drager is van een dergelijk gen zal daarvan zelf geen last hebben, omdat het normale gen de werking van het gen met de afwijking overheerst.
In het DNA treden voortdurend veranderingen (mutaties) op. Een coderend stuk DNA kan hierdoor beschadigd worden. Het betreffende gen werkt dan niet goed meer. Mutaties in genen kunnen daarom de oorzaak zijn van afwijkingen en ziekten. leder gen is tweemaal in elke cel aanwezig: één maal op elk chromosoom van een paar. Bij sommige ziektebeelden is een mutatie in één van de twee genen voldoende om de ziekteverschijnselen te veroorzaken. De werking van het gen met de mutatie is dan krachtiger dan die van het normale gen. Dit gen wordt het dominante gen genoemd. Bij andere mutaties is de werking van het gen met de afwijking zwakker (recessief) dan de werking van het normale gen. Iemand die drager is van een dergelijk gen zal daarvan zelf geen last hebben, omdat het normale gen de werking van het gen met de afwijking overheerst.
Wat gebeurt er bij dominant erfelijke ziekten?
Als iemand drager is van een dominant afwijkend gen is er meestal een grote kans op bepaalde afwijkingen of ziekteverschijnselen. Het normale gen is onvoldoende in staat om het effect van het gen met de afwijking op te heffen. In figuur 6 is de overerving van een dominant erfelijke ziekte weergegeven. Iemand die aan een dominant erfelijke aandoening lijdt, heeft naast een normale erfelijke eigenschap (N) de afwijkende erfelijke eigenschap (n). Kinderen van een patiënt ontvangen (via de eicel of zaadcel) óf de normale erfelijke eigenschap (N) óf de afwijkende (n).
Figuur. 6 Schema dominante overerving. Voor elke zoon of dochter van een patiënt is er 50% (een op twee) kans om de afwijkende eigenschap te krijgen. N= normale erfelijke eigenschap. n= afwijkende erfelijke eigenschap met overheersende werking.
Als iemand drager is van een dominant afwijkend gen is er meestal een grote kans op bepaalde afwijkingen of ziekteverschijnselen. Het normale gen is onvoldoende in staat om het effect van het gen met de afwijking op te heffen. In figuur 6 is de overerving van een dominant erfelijke ziekte weergegeven. Iemand die aan een dominant erfelijke aandoening lijdt, heeft naast een normale erfelijke eigenschap (N) de afwijkende erfelijke eigenschap (n). Kinderen van een patiënt ontvangen (via de eicel of zaadcel) óf de normale erfelijke eigenschap (N) óf de afwijkende (n).
Figuur. 6 Schema dominante overerving. Voor elke zoon of dochter van een patiënt is er 50% (een op twee) kans om de afwijkende eigenschap te krijgen. N= normale erfelijke eigenschap. n= afwijkende erfelijke eigenschap met overheersende werking.
Hoeveel procent kans bestaat er dat het kind de erfelijke aandoening zal erven?
leder kind van een moeder of een vader die een dominant afwijkend gen heeft dat tot een bepaalde aandoening leidt, heeft een kans van 50% om dit gen te erven en dus dezelfde aandoening te krijgen. Er is voor elk kind echter ook een kans van 50% om het normale gen te erven. In dat laatste geval is er geen verhoogd risico om dezelfde aandoening te krijgen, ook niet voor de volgende generaties. Figuur 7 laat de stamboom zien van een familie met een dominant erfelijke aandoening.
Figuur. 7 Stamboom van dominant erfelijke aandoening/ziekte.
leder kind van een moeder of een vader die een dominant afwijkend gen heeft dat tot een bepaalde aandoening leidt, heeft een kans van 50% om dit gen te erven en dus dezelfde aandoening te krijgen. Er is voor elk kind echter ook een kans van 50% om het normale gen te erven. In dat laatste geval is er geen verhoogd risico om dezelfde aandoening te krijgen, ook niet voor de volgende generaties. Figuur 7 laat de stamboom zien van een familie met een dominant erfelijke aandoening.
Figuur. 7 Stamboom van dominant erfelijke aandoening/ziekte.
Wat speelt zich vooral af bij dominant erfelijke ziekten?
Bij veel dominant erfelijke ziekten komt het voor dat er verschillen in de ernst van de aandoening zijn tussen aangedane patiënten zowel binnen één familie als tussen families onderling. Familieleden van patiënten die willen weten of zij de aandoening ook aan hun kinderen kunnen overdragen, zullen dus eerst zorgvuldig moeten worden onderzocht op kenmerken van de betreffende aandoening. Soms gebeurt het dat een dominant gen nauwelijks of niet tot uiting komt; het lijkt alsof de aandoening een generatie overslaat. Een zorgvuldig familieonderzoek bij Verilabs kan dan nuttig zijn om een dominant erfelijke ziekte vast te stellen. Er zijn vele dominant erfelijke aandoeningen bekend die kunnen leiden tot combinaties van lichamelijke en geestelijke afwijkingen. Daarnaast kunnen afwijkingen in één of meer organen dominant erfelijk zijn.
Bij veel dominant erfelijke ziekten komt het voor dat er verschillen in de ernst van de aandoening zijn tussen aangedane patiënten zowel binnen één familie als tussen families onderling. Familieleden van patiënten die willen weten of zij de aandoening ook aan hun kinderen kunnen overdragen, zullen dus eerst zorgvuldig moeten worden onderzocht op kenmerken van de betreffende aandoening. Soms gebeurt het dat een dominant gen nauwelijks of niet tot uiting komt; het lijkt alsof de aandoening een generatie overslaat. Een zorgvuldig familieonderzoek bij Verilabs kan dan nuttig zijn om een dominant erfelijke ziekte vast te stellen. Er zijn vele dominant erfelijke aandoeningen bekend die kunnen leiden tot combinaties van lichamelijke en geestelijke afwijkingen. Daarnaast kunnen afwijkingen in één of meer organen dominant erfelijk zijn.
Wat zijn de kenmerken van dominante erfelijkheid?
De aandoening treedt op in opeenvolgende generaties.
Zowel mannen als vrouwen kunnen aangedaan zijn.
Voor kinderen van een patiënt is er een op twee (50%) kans om het dominante gen (en dus de aandoening) te erven.
De ernst van de aandoening kan variëren.
De aandoening treedt op in opeenvolgende generaties.
Zowel mannen als vrouwen kunnen aangedaan zijn.
Voor kinderen van een patiënt is er een op twee (50%) kans om het dominante gen (en dus de aandoening) te erven.
De ernst van de aandoening kan variëren.
Wat zijn recessief erfelijke ziekten?
Er is sprake van recessieve erfelijkheid als het normale gen het afwijkende gen overheerst. Het afwijkende gen is “ondergeschikt” aan het gezonde. Mensen die drager zijn van een recessief gen, zijn daarom meestal gezond. Maar wanneer iemand beide afwijkende genen bezit, treedt de aandoening op.
Er is sprake van recessieve erfelijkheid als het normale gen het afwijkende gen overheerst. Het afwijkende gen is “ondergeschikt” aan het gezonde. Mensen die drager zijn van een recessief gen, zijn daarom meestal gezond. Maar wanneer iemand beide afwijkende genen bezit, treedt de aandoening op.
Wanneer ontstaan er problemen bij recessieve afwijkingen?
Er ontstaan pas problemen wanneer het kind van beide ouders tegelijk het gen erft voor een bepaalde recessieve afwijking. In figuur 8 staat de overerving van een recessief erfelijke ziekte weergegeven. Als beide gezonde ouders drager zijn van een normale erfelijke eigenschap (A) en een afwijkende (a), dan hebben ze bij elke zwangerschap de volgende kansen: een kans van een op vier (25%) dat een zoon of dochter de aandoening of ziekte krijgt (aa); en een kans van drie op vier (75%) dat een zoon of dochter gezond is. Van de gezonde kinderen zal een deel (tweederde) drager zijn. Meestal kan men pas een recessief overervingspatroon vaststellen als een juiste diagnose bij een eerste aangedaan kind in een gezin is gesteld. Het risico is dan verhoogd voor volgende kinderen van de ouders van de patiënt, maar nauwelijks voor overige familieleden. De aandoening kwam meestal niet eerder in de familie voor, en ook in de toekomstige generaties (bijvoorbeeld bij kinderen van gezonde broers/zusters van een patiënt) is de kans nauwelijks verhoogd. Immers, de kans dat de partner drager is van een recessieve afwijking in hetzelfde gen is meestal klein. De kans dat beide ouders drager zijn van hetzelfde recessieve afwijkende gen wordt groter als ze familie van elkaar zijn, bijvoorbeeld neef en nicht. Dit verklaart ook waarom er in een huwelijk tussen bloedverwanten meestal een enigszins verhoogd risico is op een recessief erfelijke ziekte bij hun kinderen. Vooraf is echter meestal niet te voorspellen voor welke ziekte het risico verhoogd is.
Figuur 8 Schema recessieve overerving A = normale erfelijke eigenschap, a = afwijkende erfelijke eigenschap
Er ontstaan pas problemen wanneer het kind van beide ouders tegelijk het gen erft voor een bepaalde recessieve afwijking. In figuur 8 staat de overerving van een recessief erfelijke ziekte weergegeven. Als beide gezonde ouders drager zijn van een normale erfelijke eigenschap (A) en een afwijkende (a), dan hebben ze bij elke zwangerschap de volgende kansen: een kans van een op vier (25%) dat een zoon of dochter de aandoening of ziekte krijgt (aa); en een kans van drie op vier (75%) dat een zoon of dochter gezond is. Van de gezonde kinderen zal een deel (tweederde) drager zijn. Meestal kan men pas een recessief overervingspatroon vaststellen als een juiste diagnose bij een eerste aangedaan kind in een gezin is gesteld. Het risico is dan verhoogd voor volgende kinderen van de ouders van de patiënt, maar nauwelijks voor overige familieleden. De aandoening kwam meestal niet eerder in de familie voor, en ook in de toekomstige generaties (bijvoorbeeld bij kinderen van gezonde broers/zusters van een patiënt) is de kans nauwelijks verhoogd. Immers, de kans dat de partner drager is van een recessieve afwijking in hetzelfde gen is meestal klein. De kans dat beide ouders drager zijn van hetzelfde recessieve afwijkende gen wordt groter als ze familie van elkaar zijn, bijvoorbeeld neef en nicht. Dit verklaart ook waarom er in een huwelijk tussen bloedverwanten meestal een enigszins verhoogd risico is op een recessief erfelijke ziekte bij hun kinderen. Vooraf is echter meestal niet te voorspellen voor welke ziekte het risico verhoogd is.
Figuur 8 Schema recessieve overerving A = normale erfelijke eigenschap, a = afwijkende erfelijke eigenschap
Hoeveel recessief erfelijke aandoeningen zijn bekend?
Er zijn ten minste duizend recessief erfelijke aandoeningen bekend. Dragerschap voor bijvoorbeeld de taaislijmziekte (cystic fibrosis) komt voor bij een op de dertig Nederlanders, voor phenylketonurie (de stofwisselingsziekte waarvoor we de hielprik bij pasgeborenen kennen) bij een op vijftig. Voor de meeste recessieve ziekten is de kans op dragerschap klein, tussen de een op vijftig en een op tweehonderd.
Er zijn ten minste duizend recessief erfelijke aandoeningen bekend. Dragerschap voor bijvoorbeeld de taaislijmziekte (cystic fibrosis) komt voor bij een op de dertig Nederlanders, voor phenylketonurie (de stofwisselingsziekte waarvoor we de hielprik bij pasgeborenen kennen) bij een op vijftig. Voor de meeste recessieve ziekten is de kans op dragerschap klein, tussen de een op vijftig en een op tweehonderd.
Wat zijn de kenmerken van recessieve erfelijkheid?
De ziekte beperkt zich tot broers en zussen in één gezin.
Bij ouders, kinderen van een patiënt en overige familieleden komt de ziekte in het algemeen niet voor.
De ouders van een patiënt zijn beiden drager van hetzelfde afwijkende gen; de herhalingskans is bij elke volgende zwangerschap een op vier (25%).
Mannen en vrouwen hebben een even grote kans om aan de ziekte te lijden.
De ziekte beperkt zich tot broers en zussen in één gezin.
Bij ouders, kinderen van een patiënt en overige familieleden komt de ziekte in het algemeen niet voor.
De ouders van een patiënt zijn beiden drager van hetzelfde afwijkende gen; de herhalingskans is bij elke volgende zwangerschap een op vier (25%).
Mannen en vrouwen hebben een even grote kans om aan de ziekte te lijden.
Wat is er gebeurd met kinderen die te weinig chromosomen bezitten?
Kinderen die te veel of te weinig chromosoommateriaal hebben, zijn meestal lichamelijk en verstandelijk gehandicapt. Het bekendste voorbeeld van een chromosoomafwijking is het syndroom van Down (mongolisme), veroorzaakt door een extra chromosoom 21. Deze patiënten hebben niet 46, maar 47 chromosomen. In plaats van twee chromosomen 21 zijn er bij deze patiënten 3 chromosomen 21 aanwezig (fig. 9).
Figuur 9. Syndroom van Down: een extra chromosoom 21 (47, XY+21)
Kinderen die te veel of te weinig chromosoommateriaal hebben, zijn meestal lichamelijk en verstandelijk gehandicapt. Het bekendste voorbeeld van een chromosoomafwijking is het syndroom van Down (mongolisme), veroorzaakt door een extra chromosoom 21. Deze patiënten hebben niet 46, maar 47 chromosomen. In plaats van twee chromosomen 21 zijn er bij deze patiënten 3 chromosomen 21 aanwezig (fig. 9).
Figuur 9. Syndroom van Down: een extra chromosoom 21 (47, XY+21)
Wat is de oorzaak van een gebrek aan chromosomen?
De oorzaak is meestal een fout in de verdeling van de chromosomen bij de vorming van een eicel of zaadcel. De chromosomen van elk paar (dus ook van 21) behoren elk naar een aparte eicel/zaadcel te gaan. Soms gaat dit fout. Het resultaat is een geslachtscel met een chromosoom te veel en een geslachtscel met een chromosoom te weinig (fig. 10). Indien deze geslachtscellen bevrucht worden, ontstaat een kind met een chromosoom te veel of te weinig. Vaak geeft dit zulke ernstige afwijkingen, dat de zwangerschap eindigt met een spontane miskraam, vaak al vóór de 12e week.
Figuur 10. Chromosomen te veel of te weinig: een ongelijke verdeling van de chromosomen bij de vorming van de geslachtscellen resulteert in eicellen of zaadcellen met te veel of te weinig chromosomen. Slechts vier van de 46 chromosomen zijn getekend.
De oorzaak is meestal een fout in de verdeling van de chromosomen bij de vorming van een eicel of zaadcel. De chromosomen van elk paar (dus ook van 21) behoren elk naar een aparte eicel/zaadcel te gaan. Soms gaat dit fout. Het resultaat is een geslachtscel met een chromosoom te veel en een geslachtscel met een chromosoom te weinig (fig. 10). Indien deze geslachtscellen bevrucht worden, ontstaat een kind met een chromosoom te veel of te weinig. Vaak geeft dit zulke ernstige afwijkingen, dat de zwangerschap eindigt met een spontane miskraam, vaak al vóór de 12e week.
Figuur 10. Chromosomen te veel of te weinig: een ongelijke verdeling van de chromosomen bij de vorming van de geslachtscellen resulteert in eicellen of zaadcellen met te veel of te weinig chromosomen. Slechts vier van de 46 chromosomen zijn getekend.
Is een “vrucht” met een extra chromosoom wel levensvatbaar?
Soms is een vrucht met een extra chromosoom wel levensvatbaar. Dit leidt dan meestal tot een combinatie van zowel verstandelijke als lichamelijke afwijkingen. Bij het syndroom van Down is dit ook het geval. Kinderen met het syndroom van Down zijn verstandelijk gehandicapt en het gelaat vertoont vaak karakteristieke kenmerken. De gewrichten zijn overstrekbaar. De schedel is te klein en de groei ervan blijft meestal achter. Ongeveer de helft van de patiënten heeft één of meer inwendige afwijkingen (bijvoorbeeld aanlegstoornissen van het hart), die de levensverwachting kunnen beïnvloeden. Een afwijking in het aantal geslachtschromosomen (X en Y) hoeft niet altijd tot een achterstand in verstandelijke ontwikkeling te leiden. Wel kunnen dan onvruchtbaarheid of afwijkingen van de lengtegroei ontstaan.
Hoeveel kans heeft men om een kind met een chromosoomafwijking te krijgen?
Elk ouderpaar heeft een kans van een op tweehonderd om een kind met een chromosoomafwijking te krijgen. Bij het vorderen van de leeftijd van de moeder, met name vanaf het 36e jaar, nemen de kansen op bijvoorbeeld een kind met het syndroom van Down toe (zie fig. 11). Ouders die eerder een kind met een chromosoom te veel of te weinig kregen, hebben meestal een lage kans op herhaling (1 à 2%) bij een volgend kind. De overige familieleden hebben geen verhoogd risico.
Figuur 11. De leeftijd van de moeder: percentages chromosoomafwijkingen bij de ongeborene in relatie tot de leeftijd van de moeder.
Soms is een vrucht met een extra chromosoom wel levensvatbaar. Dit leidt dan meestal tot een combinatie van zowel verstandelijke als lichamelijke afwijkingen. Bij het syndroom van Down is dit ook het geval. Kinderen met het syndroom van Down zijn verstandelijk gehandicapt en het gelaat vertoont vaak karakteristieke kenmerken. De gewrichten zijn overstrekbaar. De schedel is te klein en de groei ervan blijft meestal achter. Ongeveer de helft van de patiënten heeft één of meer inwendige afwijkingen (bijvoorbeeld aanlegstoornissen van het hart), die de levensverwachting kunnen beïnvloeden. Een afwijking in het aantal geslachtschromosomen (X en Y) hoeft niet altijd tot een achterstand in verstandelijke ontwikkeling te leiden. Wel kunnen dan onvruchtbaarheid of afwijkingen van de lengtegroei ontstaan.
Hoeveel kans heeft men om een kind met een chromosoomafwijking te krijgen?
Elk ouderpaar heeft een kans van een op tweehonderd om een kind met een chromosoomafwijking te krijgen. Bij het vorderen van de leeftijd van de moeder, met name vanaf het 36e jaar, nemen de kansen op bijvoorbeeld een kind met het syndroom van Down toe (zie fig. 11). Ouders die eerder een kind met een chromosoom te veel of te weinig kregen, hebben meestal een lage kans op herhaling (1 à 2%) bij een volgend kind. De overige familieleden hebben geen verhoogd risico.
Figuur 11. De leeftijd van de moeder: percentages chromosoomafwijkingen bij de ongeborene in relatie tot de leeftijd van de moeder.
Wat veroorzaakt een geslachtsgebonden verstandelijke achterstand en een breekbare plaats in het X-chromosoom?
Een stoornis in de verstandelijke ontwikkeling komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Dit komt onder andere doordat een aantal vormen van zwakzinnigheid ontstaan door een verandering in het X-chromosoom. De meest voorkomende vorm van X-gebonden zwakzinnigheid wordt veroorzaakt door een breekbare (fragiele) plaats in het X-chromosoom (fig. 12). Op die plaats hebben de bouwstenen een bijzondere volgorde, waardoor zeer gemakkelijk veranderingen kunnen optreden. Soms worden daar kleine stukjes in de normale keten ingebouwd (insertie), waardoor de gebruikelijke volgorde van de bouwstenen wordt verstoord. Hierdoor wordt een gen uitgeschakeld dat van groot belang is voor de werking van de hersenen. Het is nu mogelijk om via familieonderzoek zeer betrouwbaar draagsters van een fragiel X-chromosoom op te sporen. Dit is van groot belang omdat een draagster een sterk verhoogde kans heeft op een zwakzinnig kind.
Figuur 12. Het fragiele X-syndroom: de fragiele X, een breekbare plaats aan de onderzijde van het X-chromosoom. Links een normale X en Y, rechts een fragiele X en een Y-chromosoom.
Een stoornis in de verstandelijke ontwikkeling komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Dit komt onder andere doordat een aantal vormen van zwakzinnigheid ontstaan door een verandering in het X-chromosoom. De meest voorkomende vorm van X-gebonden zwakzinnigheid wordt veroorzaakt door een breekbare (fragiele) plaats in het X-chromosoom (fig. 12). Op die plaats hebben de bouwstenen een bijzondere volgorde, waardoor zeer gemakkelijk veranderingen kunnen optreden. Soms worden daar kleine stukjes in de normale keten ingebouwd (insertie), waardoor de gebruikelijke volgorde van de bouwstenen wordt verstoord. Hierdoor wordt een gen uitgeschakeld dat van groot belang is voor de werking van de hersenen. Het is nu mogelijk om via familieonderzoek zeer betrouwbaar draagsters van een fragiel X-chromosoom op te sporen. Dit is van groot belang omdat een draagster een sterk verhoogde kans heeft op een zwakzinnig kind.
Figuur 12. Het fragiele X-syndroom: de fragiele X, een breekbare plaats aan de onderzijde van het X-chromosoom. Links een normale X en Y, rechts een fragiele X en een Y-chromosoom.







